|
Het literaire begin
Op
20-jarige leeftijd is Jules Destrée verzot op gepassioneerde
uitbundigheid en mateloze bewondering en woede.
Hij studeert nog steeds Rechten aan de Vrije Universiteit
van Brussel en deelt het enthousiasme dat de culturele bloei
van de hoofdstad aan het einde van de 19de eeuw opwekt (rond
1881).
Brussel kwam niets meer te kort in vergelijking met Parijs
en Londen. Als bewijs daarvan kunnen we de overvloed aan kunstzinnige
en literaire tijdschriften citeren : " L'Art Moderne
", " Le Journal des Beaux Arts ", " La
Société Nouvelle ", " La Wallonie
", " La Pléiade ", " L'Artiste
", " La Nervie ", " La Revue Rouge "
en waarschijnlijk de best aangeschreven : " La Revue
de la Jeune Belgique ".
In dit vruchtbare klimaat leest Jules Destrée alle
toen hedendaagse schrijvers (Zola, Flaubert, Baudelaire, Verlaine.
. .) en schrijft zijn " Lettres à Jeanne ",
ondermeer aangemoedigd door Verhaeren, Maurice des Ombiaux
en Camille Lemonnier. Vervolgens
schrijft hij " Transposition. Imagerie Japonaise ",
om te eindigen met " Les Chimères
".
Na deze literaire bevlieging, begint hij bedenkingen over
Recht en Justitie te schrijven : " Paradoxes professionnels
(1893) ", " Bon-Dieu-des-Gaulx (1898) ", "
Le Secret de Frédéric Marcinel (1901) ",
" Quelques histoires de miséricorde (1902) "
|

 |